Van glijden naar schaatsen

Er bestaat een handschrift uit 1180 waarin William Fitzstephen -secretaris en biograaf van de historisch belangrijke Engelse kanselier/aartsbisschop (Sint) Thomas à Becket- het winterse Londen (vrij vertaald) als volgt beschrijft:

"(...) als het grote moeras (waarin aan de noordelijke kant de stadsmuren staan) is bevroren, spelen veel jongelui op het ijs (...) sommigen binden botten aan hun voeten en glijden soepel als een vogel door de lucht of een pijl uit een kruisboog (...) zover ze kunnen, zichzelf vooruit schuivend met een kleine puntige stok."

Deze tekst maakt duidelijk dat er rond 1200 nog gebruik werd gemaakt van botten, glijbenen of glissen, zoals hieronder getoond. Uit opgravingen is gebleken dat het glijden of glissen op ijs een wijd verbreid gebruik is geweest. De hieronder getoonde botten werden in de Nederlandse bodem gevonden, maar ze zijn ook opgegraven in Scandinavië, Engeland, Duitsland en Zwitserland.

glissen

Duidelijk is te zien dat glissen geen scherpe kanten hadden, waardoor het onmogelijk was om je er zijdeling mee af te zetten. Daar moet in de loop van de 13e eeuw verandering in zijn gekomen, zoals de de volgende foto laat zien. Deze 'schaats' werd gevonden bij een opgraving op de Amsterdamse Nieuwendijk en kon worden gedateerd rond 1250.

glijders

Deze foto laat zien dat de botten allengs werden vervangen door houten blokken, die werden voorzien van ijzeren zolen. Om het ijzer zijdelings te borgen was in de onderkant van het hout een groef aangebracht waarin het ijzer werd geklemd. Door het ijzer aan de voor- en achterkant om te slaan werd het ijzer ook in lengterichting vast gezet. Het ijzer was tamelijk breed en laag, zodat van zijdelings afzetten nog geen sprake kan zijn geweest. Deze glijder bevindt zich in het Amsterdam Museum.

schaatsijzer circa 1500

Deze foto laat zien dat ook rond 1450 nog meer gegleden dan geschaatst werd. De punt werd waarschijnlijk gebruikt om mee af te zetten. Het maakte prikstokken overbodig. Opmerkelijk is de opstaande achterkant, met daarin een gaatje. Zo kon het ijzer met een nagel in de achterkant van het houtje worden gefixeerd. Dergelijke ijzers zijn gevonden in zowel Rotterdam als Den Haag.

vroege krulschaats

Dit schaatsijzer dateert van rond 1600. Het werd gevonden bij baggerwerkzaamheden in de buurt van Rotterdam. Het laat zien dat de overslag aan de voorkant intussen enigszins verfraaid was en dat de achterkant een liggend oog met eenvoudige schroefdraad had gekregen. Het hout werd aan de voorkant met de wig vastgeklemd en aan de achterkant stijf gezet met een schroef. Het ijzer is laag en driehoekig van vorm en is aan de voorkant breder dan aan de achterkant. Dankzij het gebruik van een v-vormig hoog houten platform kon met een ijzer als dit een schaatsstreek worden gemaakt.

vroege baanschaats

De eerste echte schaatsen moeten er dan ook ongeveer zó uit hebben gezien: als een Friese, Groningse of Hollandse baanschaats. De 'kale' halzen van de krulschaatsen kwamen pas circa 1650 in zwang. De krullen hadden geen andere functie dan verfraaiiing. Omdat ze gemakkelijk in elkaar konden haken werden ze als gevaarlijk beschouwd. Van lieverlee verdwenen ze dan ook weer.