|
Een poging tot reconstructie
Vanuit constructief oogpunt gezien lijkt een ontwikkeling van botten naar
met plat ijzer beslagen stukken hout voor de hand te liggen. Hout kan
gemakkelijk worden bewerkt en ijzer is duurzaam. In
het Amsterdam Museum ligt de oudste tot nog toe in Nederland opgegraven
schaats. Hij is gemaakt in de eerste helft van de dertiende eeuw, dus circa
achthonderd jaar oud.

Circa 1225 - Op de foto zien we de
resten van een houten voetstapel die aan de onderkant is voorzien van een
circa 1 cm breed schaatsijzer. Aan de voor- en achterkant is het ijzer
omgeslagen om het hout vast te klemmen. De voorkant heeft een boegvorm en de
achterkant is recht. Het gaat onmiskenbaar om een constructie die is
afgeleid van glissen of glijbotten. Deze schaats is in 1979 gevonden bij het
opgraven van een complete Middeleeuwse smederij aan de Amsterdamse
Nieuwendijk.
Deze vondst geeft enig houvast. Maar omdat de constructie van de schaats in
de loop van de eeuwen slechts langzaam is veranderd en nooit de moeite waard
is gevonden om uitvoerig te beschrijven, moeten we voor het vervolg onze
toevlucht nemen tot wat ons in de vorm van prenten en schilderijen is
nagelaten. Deze afbeeldingen hadden echter niet tot doel de constructies als
zodanig te verbeelden en zijn daarom zelden voldoende gedetailleerd om tot
stellige uitspraken te komen. Maar we doen ons best.
1498 - De eerste prent met een schaatstafereeltje vinden we in het boek 'Vita
alme virginis Lijdwine' dat in 1498 werd geschreven door pater Jan Brugman
die we beter kennen van het gezegde 'praten als
Brugman'. De prent toont de
ongelukkige val
van de in 1890
heilig verklaarde Lidwina van Schiedam. Aan haar voeten heeft zij
schaatsen zoals we die ook aantreffen op
andere laatmiddeleeuwse kunstuitingen. Helaas kunnen we op de prent niet goed zien hoe
ze er precies uitzien, maar uit de houding van de schaatsenrijder in de achtergrond kunnen we wel afleiden dat aan het eind van de middeleeuwen de
schaatsen toch al zodanig van constructie waren dat je er
slagen mee kon maken. Ze zullen dus waarschijnlijk
toch wel wat weg hebben gehad van de in de Amsterdam gevonden schaats.
Overigens
toont de prent een voorval dat circa 100 jaar daarvoor had plaatsgevonden en
het prentje zal dan ook meer zeggen over de schaatsen van rond 1500 dan over
die van rond 1400.
1553 -
Dit is een detail van een gravure die in 1553
door Jan Galle werd gemaakt
aan de hand van een tekening van Pieter Brueghel de Oude. Deze schaatsen bestaan duidelijk uit drie delen: een schaatsijzer, een voetstuk en een bindsel. Elders in de gravure blijkt dat de vorm van het voetstuk driehoekig is en dat de schaatsijzers in een verticale gleuf aan de onderkant van het voetstuk zitten. Hoe het ijzer aan het voetstuk is vastgemaakt, is onduidelijk,
maar aangenomen wordt dat het ijzer aan voor- en achterkant is omgeslagen. Het bindsel loopt door gaten in het voetstuk,
als veters in een schoen.
Kleine ijstijd
- De beelden uit de zestiende eeuw geven
nog een primitief soort schaatsen weer.
Uit wat Hugo de Groot (1583-1645) hierover schrijft in zijn 'Vergelijking
der Gemeenebesten' blijkt dat er tot in het begin van de 17e eeuw op platte
ijzers werd geschaatst. Hij heeft het namelijk over "(...) houten schaatsen
(...), welke van onderen van een dun ijzer, een vinger breed, en zoo lang
als de voetzool zelve, voorzien zijn". Daarna volgt een lofzang op de
snelheid waarmee de schaatser zich verplaatst en het plezier dat hij daaraan
ontleent.
Het beeld verandert in de zeventiende eeuw
echter ingrijpend. Het lijkt erop dat de schaats in vrij korte tijd in belangrijkheid toenam en
daardoor meer aandacht kreeg van de makers ervan. Deze ontwikkeling wordt doorgaans verklaard door te wijzen op de uitzonderlijk strenge winters van die tijd, waardoor deze periode wel wordt aangeduid als ‘kleine ijstijd’. Uit de volgende afbeeldingen blijkt dat in de zeventiende eeuw de grondslag werd gelegd voor de modellen die in Nederland tot
in het midden van de 20e eeuw zijn gemaakt.
1614
- Dit is een detail uit een gravure van Roemer Visscher uit 1614. De schaatsen zijn hun primitieve vorm duidelijk ontgroeid. De schuivers van weleer zijn gracieuze schaatsen geworden met hoogoprijzende slanke halzen. Het bindsel is vereenvoudigd tot een teen- en een hakband die met lint worden samengebonden. Het bindsel ziet er al uit zoals dat ook nu nog voor eenvoudige schaatsen wordt toegepast.
1667 - Vijftig jaar
later maakte een zekere
Balduinus een soort catalogus van schoenen waar hij onder andere deze
tekening in opnam. Hier is goed te zien dat er in een halve eeuw aan de
constructie vrijwel niets meer is veranderd.
|
|