|
Tot halverwege de 20e eeuw werd in Nederland in het algemeen op houten schaatsen geschaatst. Metalen schaatsen (stalen noren genoemd) werden tot ver na de Tweede Wereldoorlog slechts gebruikt door de echte hardrijders. Wel waren al in de vijftiger en zestiger jaren bij de jeugd kunst- en hockeyschaatsen met
vaste schoenen populair. Ook werden wel metalen schaatsen met
onderschroefsystemen gebruikt. Bij vrijwel alle metalen schaatsen was echter sprake van import van buitenlandse modellen. De Nederlandse schaats is dan ook bij uitstek een houten schaats. Daarvan zijn er door de eeuwen heen zonder overdrijving miljoenen gemaakt. In eerste instantie als ambachtelijk product van plaatselijke smeden, later op meer industriële wijze toen met name in Friesland een aantal smeden het ambacht ontgroeiden. Hierdoor ontstonden heel veel plaatselijke modellen, die regionaal gezien vaak erg op elkaar lijken.
Regionale modellen
Schaatsen zijn van oudsher gemaakt door lokale smederijen, die doorgaans bestonden uit een baas en een of
meer knechten. Goede knechten begonnen na enige tijd vaak voor zichzelf en andere smeden in de buurt imiteerden succesvolle modellen. Zo ontstonden 'families' van
regionale modellen. Hierdoor kan zondermeer onderscheid worden gemaakt tussen Friese, West-Friese,
Groningse en Hollandse modellen, waarbij moet worden opgemerkt dat ook de
smeden in de aan Zuid-Holland grenzende waarden van Utrecht en Gelderland
'Hollandse' modellen maakten. De hoofdkenmerken van deze regionale modellen
worden hieronder getoond.

Afb.1: Hollandse baanschaats |

Afb.2: Hollandse krulschaats |

Afb.3: West-Friese schaats |

Afb.4: Gewone Friese baanschaats |

Afb.5: Friese doorloper |

Afb.6: Groningse baanschaats |
Hollandse schaatsen
De Hollandse schaats (afb.1) had volgens Le Frank van Berkhey (1742) oorspronkelijk
een geheel met hout bekleed schaatsijzer. Dit model schaatsen werd door Van
Buttingha Wichers (1888) aangeduid als 'baanschaatsen', omdat het uitstekend
geschikt was voor het rijden van rechte stukken. Op een enkele uitzondering
na zijn alle Hollandse baanschaatsen voorzien van een doorlopend
schaatsijzer. De Hollandse baanschaats was dan ook een geschikte schaats was
om tochten mee te maken en deel te nemen aan hardrijderijen, die destijds
uitsluitend plaatsvonden op korte banen van 80-160 meter. Omdat de meeste
verzamelaars de terminologie van Van Buttingha Wichers volgen, wordt
ook op deze site deze term gebruikt. De Hollandse en de Friese baanschaatsen hebben wel wat van elkaar weg, maar de Hollandse zijn 'geblokter' dan de Friese.
De Hollandse krulschaats (afb.2) is meer een zwierschaats. Het ijzer wordt aan de voorkant niet door hout ondersteund maar
is tot
een sierlijk ornament gevormd. Opmerkelijk is dat
Hollandse krulschaatsen in tegenstelling tot de Hollandse baanschaatsen
vrijwel nooit een doorlopend schaatsijzer hebben.
West-Friese schaatsen
De West-Friese schaats (afb.3) lijkt op een kruising tussen de Hollandse
baanschaats en de Hollandse krulschaats. Dat lijkt niet onlogisch als we
bedenken dat West-Friesland een landstreek was van het graafschap Holland.
Kennelijk hebben West-Friese smeden op basis van het algemene regionale
model een geheel eigen lokaal model weten te ontwikkelen. Oude West-Friese schaatsen
hebben een
hoog oplopende, geheel met hout beklede krul. Bij jongere schaatsen is deze
houten krul minder manifest waardoor vaak twijfel bestaat of het om een
Friese dan wel West-Friese schaats gaat. Omdat alle bekende West-Friese schaatsen
geen doorlopende schaatsijzers hebben, is het ontbreken daarvan een goed
ijkpunt. Doorgaans hebben West-Friese schaatsen zwaar uitgevoerde
voetstapels, die vaak zijn voorzien van rode en soms van gele verf. Soms
zijn in de verf zwarte 'vegen' aangebracht, naar men zegt door middel van
een walmende kaars.
Friese schaatsen
De Friese schaatsen zijn het meest bekend, omdat deze tot ver in de 20e eeuw
werden verkocht als 'doorlopers'.
Van de traditionele Friese schaats bestaan
echter twee modellen: de 'gewone' Friese schaats (afb.4) en de Friese doorloper
(fig.5). Het verschil wordt bepaald door de lengte van het schaatsijzer. Dat
eindigt bij gewone Friese schaatsen midden onder de hak van de schoen en
loopt bij de Friese doorlopers door tot voorbij de hak. Het doorlopende
schaatsijzer maakte schaatsen veiliger, want voorkwam ongecontroleerd
achterovervallen. Het idee van het doorlopende ijzer werd (zeer
waarschijnlijk) overgenomen van de 'gewone' Hollandse schaatsen. Uit
de Friese doorloper zijn speciale schaatsen voor het hardrijden op de lange
baan ontwikkeld, zoals de houten noren. Vanaf het einde van de 19e
eeuw pakten de Friese smeden het maken van schaatsen steeds industriëler aan en probeerden
zij invloed uit te
oefenen op de ontwikkelingen. Zo ontstonden onder andere aluminium
schaatsen, zaagschaatsen en combinoren.
Oude Friese schaatsen hebben hoogoplopende halzen. Deze werden om
veiligheidredenen in de loop van de tijd lager. Eveneens uit
veiligheidsoverwegingen werden op de vaak scherpe punten messing dopjes
aangebracht, meestal in de vorm van eikeltjes. Uiteindelijk werden de halzen
en de punten vervangen door sierkrulletjes van hout.
Groningse schaatsen
De Groningse schaatsen (afb.6) lijken op de Friese, maar de nerf van het hout
in de hals volgt de ronding van het schaatsijzer. De Friese en Hollandse
voetstapels werden in model gezaagd uit planken, maar de Groningse
voetstapels werden gebogen, op dezelfde manier als de gangen van een houten
schip. Hierdoor zien deze schaatsen er nog slanker uit dan de Friese. Rond
de naamgeving 'Groningse' schaatsen bestaat enige twijfel. Dit model wordt door verzamelaars zo genoemd omdat er in de provincie Groningen relatief
veel boven water zijn gekomen. Maar ook elders in Nederland zijn ze
ook aangetroffen en over befaamde Groningse schaatsenmakers is geen betrouwbare informatie
beschikbaar.
Lokale modellen
Overal in het waterrijke Nederland woonden smeden die in de winter,
als de land- en tuinbouw plat lag, wel een paar gulden bij wilden verdienen met het
maken van schaatsen. Sommige smeden waren daar beter in dan anderen en zo
ontstonden lokale modellen, die vaak werden genoemd naar de woonplaats van de
smid. In Holland bijvoorbeeld zaten bekende smeden in plaatsen als Bergambacht (Van
Til), Ouderkerk (Spoormaker) en Waddinxveen (De Rooij). Maar de leden van een grote
smedenfamilie als Schakel zaten op verscheidene plaatsen (Polsbroek, Stolwijk, Moordrecht) en hun schaatsen werden
daarom wel als 'Schakelaars' aangeduid. Zoals ook hierboven al werd aangegeven kunnen als gevolg hiervan binnen de families van de Hollandse schaatsen veel 'ondermodellen' worden onderscheiden. Dat is niet het
geval met de Friese schaatsen. Alle Friese schaatsen lijken op elkaar. Goede
Friese schaatsen werden onder andere gemaakt door Ruiter (Akkrum en Bolsward), Hoekstra (Warga) en
Nooitgedagt (IJlst).
Om onduidelijke redenen zijn de Hollandse, Utrechtse en Gelderse smeden aan het begin van de 20e eeuw met het maken van schaatsen gestopt. Omdat de Friese schaatsenmakers gelijktijdig steeds industriële gingen produceren en de commerciële belangen dus toenamen, maakten ze van dit gegeven gebruik: zij namen bekende Hollandse modellen in hun assortiment op en boden ze aan onder namen als Ouderkerk, Waddinxveen en Bergambacht. Hierbij werd waarschijnlijk meer gelet op de commerciële aantrekkelijkheid van zo'n naam dan op de juiste combinatie met het historische plaatselijke model, waardoor oude prijscouranten voor het determineren van Hollandse schaatsen onbetrouwbaar zijn. |